Congresverslag Professionalisering Bedrijfsvoering

Bijdrage van prof.dr. Gerard Boter van de Vrije Universiteit Amsterdam 

 

Geachte dames en heren,

Toen ik in 1972 met mijn studie klassieke talen begon, voorspelde iedereen me dat ik daar geen droog brood mee zou kunnen verdienen en linea recta werd opgeleid voor de WW. De Mammoetwet was immers in 1968 ingevoerd en daarin was de positie van de klassieke talen flink gereduceerd; velen verwachtten dat dit de opmaat zou zijn tot een definitief verdwijnen van deze vakken. Mijn vader was accountant, maar hoewel hij ook zulke geluiden opving, heeft hij, samen met mijn moeder, mij nooit een strobreed in de weg gelegd bij mijn studiekeuze maar me altijd voluit gesteund. Mijn vader liet zich, ook (of liever juist) bij belangrijke beslissingen, graag inspireren door op het eerste gezicht irrelevante informatiebronnen, in dit geval door een beroemd couplet uit de TV-musical “Ja zuster, nee zuster”, de ouderen onder u welbekend: “Doe wat je ’t liefste doet, dan is het altijd goed.” En inderdaad: ik ben mijn leven geen dag werkloos geweest en ik beleef elke dag veel plezier aan mijn prachtige vak. Een verstandige man, die vader van me, en dat terwijl hij niet eens gymnasium gedaan had! Hij deed al aan out-of-the-box-denken, lang voordat deze term werd ingevoerd, en hij toonde en passant aan dat het in gevallen als de studiekeuze van zijn zoon heel innovatief kan zijn om juist niet met de zogenaamd innovatieve tijdgeest mee te waaien. En uiteindelijk is het dus aan mijn vader te danken (of te wijten, dat moet u maar afwachten) dat ik hier nu voor u mag optreden, iets waarvoor ik de organisatoren hartelijk dank. 

Prof. Gerard Boter

Wanneer je denkt aan organisatie in de oudheid, denk je eerder aan Romeinen dan aan Grieken: de Romeinen hebben immers een wereldrijk gesticht, terwijl de Grieken aan onderlinge verdeeldheid ten onder gingen. En bij Grieken denk je eerder aan historici met hun realiteitszin dan aan filosofen met hun mooie en verheven theorieën. En als je dan toch een filosoof kiest, dan lijkt Aristoteles meer voor de hand te liggen dan Plato. U kent waarschijnlijk het filosofenfresco van Raphael in het Vaticaan. Daarin staan Plato en zijn leerling Aristoteles in het centrum. Plato wijst naar boven, naar het bovenaardse, en Aristoteles naar de aarde, naar het hier-en-nu. En inderdaad was Aristoteles veel meer empirisch gericht dan zijn grote leermeester; kort geleden is van zijn Politica een magistrale Nederlandse vertaling verschenen, die ik u zeer kan aanbevelen. Daarin neemt hij een groot aantal bestaande politieke systemen als uitgangspunt voor zijn werk. En toch wil ik het vanmiddag met u over Plato hebben, en wel over een van zijn hoofdwerken, de Staat, ook wel aangeduid met de Griekse titel Politeia of de Latijnse titel Respublica ofwel Republiek. Ik hoop u ervan te overtuigen dat dit geen verkeerde keuze is. Naar mijn idee zijn er elementen in Plato’s werk die voor iedere organisatie en voor iedere innovatie van belang zijn; daarnaast komen er natuurlijk ook elementen in voor waar u niets aan heeft.

            Plato’s Staat is een goed voorbeeld van een wereldbeeld dat we bij de Grieken vaak tegenkomen, namelijk dat van de makrokosmos en de mikrokosmos: verschillen zijn vaak eerder kwantitatief dan kwalitatief van aard. In de Staat laat Plato zijn leermeester Socrates betogen dat een mens (de mikrokosmos) en een samenleving (de makrokosmos) alleen in omvang van elkaar verschillen; maar inhoudelijk gezien is een mens een staat in het klein en een staat een mens in het groot. In het vervolg spreek ik over polis, het Griekse woord voor stadstaat. De ideale omvang van zo’n polis was in Plato’s tijd 10.000 vrije volwassen mannen. Een wereldrijk als dat van Alexander de Grote of de Romeinse keizers was voor Plato en zijn tijdgenoten niet nastrevenswaardig. Een mens bestaat uit verschillende delen: zijn verstand, zijn wilskracht en zijn hartstocht. Een polis bestaat uit drie daarmee corresponderende delen: de heersers, de soldaten en de werkers. Samenwerking tussen de verschillende delen van een mens leidt tot optimaal functioneren en dus tot geluk; en bij een polis is het net zo. En omgekeerd moet een mens zichzelf organiseren op dezelfde manier als een staat georganiseerd wordt.

            Om duidelijk te maken wat hij bedoelt, schetst Socrates het begin van een samenleving. Zo’n samenleving ontstaat als gevolg van het feit dat niemand in staat is zelf in al zijn levensbehoeften te voorzien. Daarom besluiten mensen tot het verdelen van taken: de een verbouwt graan, een ander bakt daar brood van, een derde bouwt huizen, weer een andere maakt kleding, enzovoort. Iedereen maakt zoveel dat alle leden van de polis er gebruik van kunnen maken. Verdeling van arbeid, kortom. En bij deze taakverdeling is het essentieel dat iedereen slechts één taak vervult. Hoewel mijn vrouw en dochters bij hoog en bij laag beweren dat mannen niet kunnen multitasken en vrouwen wel, toont een hele rits onderzoeken aan dat multitasken gewoon niet werkt. Plato wist dat allang. Iedereen moet zijn eigen taak uitvoeren, modern gezegd, zijn eigen ding doen. Tegelijk moet iedereen ook krijgen wat hem toekomt. Dit principe, dat ieder het zijne moet doen én het zijne moet krijgen, wordt uitgedrukt door de Latijnse spreuk suum cuique, “ieder het zijne”, een spreuk die door het opschrift boven de ingang van concentratiekamp Buchenwald “Jedem das Seine” een wel heel navrante bijklank gekregen heeft, maar daar kan Plato niets aan doen. Als u de taken in uw afdeling aan mensen toewijst, is het niet alleen zaak er goed op te letten dat de goede mensen op de goede plek komen te zitten, maar er ook voor te zorgen dat de uitvoerders ook werkelijk gefaciliteerd worden om hun taak naar behoren uit te voeren. Als ze voortdurend afgeleid worden door andere taken, dan komt er van hun hoofdtaak niets terecht.  

            Bij deze verdeling van taken enerzijds en van goederen en diensten anderzijds is het van eminent belang dat iedereen doet waar hij goed in is, en daarvoor terugkrijgt waar hij recht op heeft. Deze evenredigheid of gelijkheid is volgens Socrates dan ook identiek met rechtvaardigheid. Immers, een groep kan alleen maar goed functioneren als iedereen er uiteindelijk van profiteert. Dat geldt niet alleen in een polis: zelfs binnen een groep misdadigers moet er volgens Socrates sprake zijn van een zekere mate van rechtvaardigheid, al blijft die dan ook strikt beperkt tot de leden van de eigen groep.

            Nu kun je mensen dwingen dit principe in praktijk te brengen door ze te straffen wanneer ze hun boekje te buiten gaan, maar het is veel effectiever ze ervan te doordringen dat hun eigenbelang uiteindelijk samenvalt met het belang van de polis als geheel. Iets wat de polis schaadt, schaadt elk lid van die polis, zelfs als hij er op korte termijn van lijkt te profiteren. Immers, een schending van de afspraken legt een bom onder het principe van samenwerking en wederzijds vertrouwen en daarmee wordt de hele polis in gevaar gebracht. Naast het principe van mikrokosmos en makrokosmos zien we hier ook een holistische visie op goed en slecht: het is uitgesloten dat wat goed voor de een is, slecht is voor de ander. Misdadigers en tirannen lijken op het eerste gezicht wel te profiteren van hun gedrag, maar uiteindelijk schaden ze zichzelf.Zonder u en uw medewerkers als tirannen en misdadigers te willen aanduiden, lijkt het me van wezenlijk belang dat iedere medewerker en iedere geleding binnen uw organisaties er goed van doordrongen is dat hij een radertje binnen het grotere geheel is, niets meer en niets minder dan dat. Te vaak lees je berichten in de krant dat een organisatie in de problemen komt doordat de verschillende geledingen elkaar eerder tegenwerken dan aanvullen of dat de managers beleid voeren zonder acht te slaan op de werkvloer: een tunnelvisie met uitsluitend aandacht voor het eigen gebied en het eigen vermeende voordeel leidt tot ongelijkheid en daardoor tot mislukking.

            Socrates schetst een idyllisch beeld van zijn zelf ontworpen polis: iedereen is tevreden met wat hij doet en met wat hij krijgt, en ’s avonds liggen ze rond het vuur op van bladeren gemaakte matrassen, ze drinken een glaasje wijn, roosteren een paar eikels, praten en zingen wat met elkaar en gaan dan tevreden naar bed. Ze krijgen niet teveel kinderen en houden armoede en oorlog buiten de deur. Dit wordt Glaucon, een van Socrates’ gesprekspartners, teveel: een varkensstaat, vindt hij het maar. Een beetje luxe mag toch wel? Jij je zin, zegt Socrates, maar dan moet je de luxegoederen wel bij de buren gaan halen en dat leidt onvermijdelijk tot oorlog. Zo krijgt de polis behoefte aan soldaten. En omdat het principe van “één man, één taak” ook geldt voor soldaten, komt er een aparte klasse in de polis. De soldaten produceren niets, maar zorgen voor veiligheid tegen bedreigingen van binnen en van buiten. Ook in organisaties moeten de uitvoerenden de garantie hebben dat ze niet hoeven te vrezen voor bedreigingen van binnen en van buiten: ze moeten zich helemaal kunnen concentreren op hun eigenlijke werk en zich niet voortdurend gedwongen voelen zich te verdedigen tegen negatieve kritiek van binnen of buiten de eigen organisatie. U vervult dus de taak van de soldaten in Socrates’ staat: u moet uw uitvoerenden beschermen. Ook is het goed dat degene die het proces bewaakt, zelf geen deel uitmaakt van de groep mensen die het werk uitvoeren: hij moet er met een objectieve blik naar kunnen kijken en de nodige distantie in acht nemen. En als ik ook een element van procesbewaking mag aanroeren waar Plato helemaal niets over zegt: het lijkt me essentieel dat een medewerker het gevoel heeft dat hij, of liever het project waar hij bij betrokken is, kan uitmonden in een mislukking. Wanneer een bepaald proces, ondanks de optimale inzet van alle medewerkers, in de praktijk niet blijkt te werken, dan moet je het kunnen opbrengen dit onder ogen te zien. Vaak wordt een negatieve uitkomst gezien als gezichtsverlies, maar uiteindelijk is een organisatie er meer bij gebaat dat een kansloos gebleken project wordt afgeblazen dan dat men weigert op de schreden terug te keren. Procesbewakers moeten hun medewerkers ook in die zin bewaken dat ze dit zonder gezichtsverlies kunnen doen.

            De soldaten hebben de belangrijkste taak in de polis: immers, als een bakker een keer zijn taak verzuimt, is er even geen brood; maar als de soldaten hun werk niet goed doen, profiteert de vijand daarvan en is het definitief afgelopen met de hele polis. Daarom moet er juist bij de soldaten goed op worden gelet of ze wel geschikt zijn voor hun taak. Ten eerste moet er goed gelet worden op hun natuurlijke aanleg. Hierbij ontwikkelt Plato een eugenetisch programma waarin mannelijke en vrouwelijke soldaten gestimuleerd moeten worden met elkaar in bed te duiken om sterke nieuwe soldaatjes op de wereld te zetten. Ik zei al dat ik niet de pretentie heb dat alle elementen van Plato’s Politeia direct en een-op-een toepasbaar zijn op de huidige situatie en dit lijkt me daarvan een treffend voorbeeld: het is prettig als medewerkers het goed met elkaar kunnen vinden, maar daar moest het maar bij blijven. Een goede database is onmisbaar, maar een dating-site gaat te ver. Dat er in een organisatie echter goed gelet moet worden op de aanleg en het talent van de uitvoerders, zal zeker door niemand betwist worden. 

            Een tweede punt van aandacht is volgens Socrates de opvoeding die de soldaten moeten krijgen. Socrates stelt een uitgebreid programma op van de lichamelijke en geestelijke training waaraan de toekomstige soldaten moeten worden onderworpen. Om met het eerste te beginnen: natuurlijk zorgt een goede leidinggevende ervoor dat zijn medewerkers letterlijk goed in hun vel kunnen zitten. Een prettige werkomgeving, goede meubels en gezond voedsel horen daar zeker bij, al ben ik blij dat ons College van Bestuur ons tijdens de middagpauze niet dwingt tot honderd keer opdrukken en touwtjespringen.

            Het programma voor de geestelijke opvoeding in Plato’s Staat kunnen we alleen maar kenmerken als pure indoctrinatie. De toekomstige soldaten mogen niets te horen krijgen wat hen op verkeerde ideeën kan brengen. En daartoe behoren bij uitstek de mythologische verhalen waar iedereen tot de dag van vandaag zo van houdt. Als kinderen horen dat de oppergod Zeus met allerlei vrouwen naar bed gaat en dat goden onderling ruzie maken, dat Kronos zijn eigen vader Ouranos zelfs castreert, dan zullen ze nooit betrouwbare soldaten worden. En daarom wordt Homerus vriendelijk doch beslist de deur gewezen: voor hem is geen plaats in de ideale staat. De inwoners van Plato’s staat krijgen, zeker in hun jeugd, alleen maar verhalen te horen die overeenstemmen met de rol die ze zelf moeten vervullen: eendracht, gehoorzaamheid aan de leiders en eerbied voor de goden staan daarbij centraal. De vrijheid van het woord staat bij ons hoog aangeschreven, en voor censuur is geen plaats. En het lijkt me in alle opzichten onwenselijk en onuitvoerbaar dat de directeur-generaal tijdens de vrijdagmiddagborrel met zijn medewerkers een stichtelijke roman doorneemt.

            Een ander punt waarop Socrates sterk de nadruk legt, is daarentegen weer wel van groot belang, ook voor de huidige situatie. Ik zei al dat de gewone bewoners van de polis ook in materieel opzicht profiteren van hun bijdrage aan het reilen en zeilen van de polis. Nu zou je a priori verwachten dat de soldaten in dit opzicht ruimer beloond worden dan de gewone burgers, maar dat is nu juist niet het geval. Sterker nog: soldaten mogen geen enkel privébezit hebben. Waarom niet? Als ze dat wel zouden hebben, zegt Socrates, zouden ze zich meer voor hun eigen bezit en hun eigen materiële welstand gaan interesseren dan voor hun eigenlijke taak: het beschermen van het bezit en het welzijn van de polis als geheel. Bovendien zouden ze concurrenten kunnen worden van de andere burgers en zouden ze in plaats van herders veranderen in wolven. Dit principe, namelijk een lagere beloning voor een hoger opgeleide medewerker, was in het communistische oostblok gebruikelijk: een Poolse arts die ik ooit in de jaren tachtig ontmoette, verdiende minder dan een vuilnisophaler. Voor zo’n systeem gaan de handen niet op elkaar, en dat lijkt me terecht. Maar het achterliggende principe is wel degelijk van belang. Bij het uitkiezen van medewerkers moet je goed in de gaten houden waarom iemand een bepaalde taak wil uitvoeren. Doet hij het enkel en alleen om de salarisverhoging? Is hij uit op een promotie? Ziet hij het als een springplank naar een volgende positie? Natuurlijk is een gezonde ambitie niet verkeerd, maar de intrinsieke motivatie moet op de eerste plaats staan. Als iemand geen enkele affiniteit heeft met de taak die hij moet uitvoeren, maar alleen maar gespitst is op zijn vermeende persoonlijke belangen, dan is dat een garantie voor mislukking.

            Bij het rekruteren van de soldaten maakt Socrates geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Immers, zo zegt hij, bij jachthonden kijk je ook niet naar het geslacht, maar alleen naar de kracht en de snelheid van de dieren. Hoewel Plato vanwege deze passage vaak voor allerlei feministische karretjes gespannen wordt, moet hierbij wel worden aangetekend dat in zijn optiek mannen in alles beter zijn dan vrouwen behalve in koekjes bakken en textiele werkvormen. Niettemin gaat Plato behoorlijk ver in zijn vrouwenemancipatie, zeker in vergelijking met de in zijn tijd gangbare ideeën. Zo vindt hij het wenselijk dat de vrouwelijke soldaten tegelijk met de mannen trainen, en sporten gebeurde in de oudheid altijd naakt. Socrates beseft dat dit zal leiden tot spot en afkeuring, omdat het ongepast en onesthetisch is, maar, zo zegt hij, daar moeten we ons niets van aantrekken. Het kan ons immers ook niet schelen als oude mannen met hun verlepte lichamen in hun blootje sporten. Er is maar één geldig criterium voor fatsoen en schoonheid en dat is nut. Dit lijkt me ook nu een wijze les: als je overtuigd bent van de zin van wat je wilt, dan moet je je niet laten beïnvloeden door buitenstaanders; het criterium van het nut is de enige geldige maatstaf.

            Naast de twee genoemde standen in de polis, de werkers en de soldaten, is er volgens Socrates nog een derde stand nodig, de stand van de heersers: die moeten zorgen voor een goed bestuur van de polis als geheel. Als Socrates de vraag voorgelegd krijgt, wie die heersers dan wel moeten zijn, aarzelt hij even, want hij vreest dat zijn antwoord wel heel vreemd gevonden zal worden. Immers, zo zegt hij, er zal geen einde komen aan de ellende in de poleis van tegenwoordig voordat de filosofen koningen worden of de koningen filosofen worden. Waarom moeten filosofen de leiding hebben in de polis? Ten eerste omdat zij als enigen kennis hebben van het werkelijk goede. U weet waarschijnlijk wel dat Plato leerde dat onze wereld slechts een afschaduwing is van de werkelijke wereld, de wereld van de eeuwige en onveranderlijke Ideeën. Zo zijn onze stoelen allemaal afschaduwingen van de Idee “stoel”, en hetzelfde geldt voor morele waarden als rechtvaardigheid. Ten tweede zijn filosofen het meest geschikt als heersers omdat zij als enigen liever niet zouden willen heersen. Zij zijn namelijk de enigen die niet azen op een baan aan de top. In bestaande poleis wil iedereen graag heerser worden, omdat hij denkt er zelf beter van te worden. Een filosoof echter weet dat hij er alleen maar op achteruit kan gaan: hij heeft immers de mooiste bezigheid die maar denkbaar is, filosofie bedrijven. Waarom hij het dan toch doet? Daarvoor heeft hij twee motieven. Ten eerste voelt hij het als een verplichting tegenover de staat, die hem de gelegenheid gegeven heeft zich jarenlang aan de studie van de filosofie te wijden. Ten tweede beseft hij dat hij, als hij weigert de taak van heerser op zich te nemen, geregeerd zal worden door iemand die daar minder geschikt voor is dan hijzelf. Ik vrees dat er bij het invoeren van deze profielschets weinig leden van de regering zouden kunnen blijven zitten en voor de volksvertegenwoordiging geldt hetzelfde. De antiek-filosoof Bertus de Rijk is jaren lid geweest van de Eerste Kamer, maar hij is enkele jaren geleden overleden. En wanneer er een OV-chipkaart of een hogesnelheidslijn moet worden ingevoerd (ik noem maar een paar open zenuwen) dan denken we niet in eerste instantie aan iemand die alles van Nietzsche en Heidegger weet. Toch zitten ook hier een paar bruikbare elementen in. Zowel de bedenker als de uitvoerder van een project moet optimaal voor zijn taak zijn toegerust; scholing, bijscholing en nascholing zijn essentieel. Bovendien moet je buiten de gebaande paden durven treden en, hoe simpel het ook klinkt, je moet kunnen nadenken. En het kan ook geen kwaad wanneer medewerkers zich ervan bewust zijn dat er een wisselwerking bestaat tussen henzelf en hun werkomgeving: beide profiteren ze van elkaar en beide hebben ze dus verplichtingen tegenover elkaar. Maar het belangrijkste is misschien wel het gegeven dat ik al eerder aanstipte in verband met de soldaten: zet geen mensen op een post die alleen maar aan hun eigenbelang en hun carrièreperspectieven denken. Uitvoerders moeten affiniteit hebben met wat ze doen: als die affiniteit ontbreekt, ontbreekt de motivatie en dat vermindert de kans op het slagen van het project.

            Wat voor leerstof kregen de filosofen en aspirant-heersers voorgezet? In hun jeugd krijgen ze, net als iedereen, gymnastiek en muziek, waartoe ook literatuur gerekend wordt. Terwijl de filosofie tegenwoordig onder de alfavakken wordt gerangschikt, staan er in Plato’s staat ook bètavakken op het rooster: getallenleer, meetkunde, stereometrie, astronomie en muziek. Boven Plato’s Academie hing zelfs een opschrift: “niemand zonder kennis van wiskunde mag hier naar binnen”. Wiskunde was voor Plato de ideale wetenschap om het verband te illustreren tussen de eeuwige onveranderlijke wereld van de Ideeën en onze materiële wereld. Iedereen kan zich een voorstelling maken van de wiskundige figuur van een volmaakte cirkel, maar het is onmogelijk een volledig volmaakte cirkel te tekenen. Na de studie van de wiskunde wijdt de filosoof zich aan de dialectiek, de kunst van het redeneren en discussiëren. Je moet iets namelijk niet alleen weten, maar het ook snappen en het kunnen uitleggen; en je moet niet alleen gelijk hebben, maar ook gelijk krijgen, en om mensen te kunnen overtuigen, moet je je bekwamen in redeneerkunst en gesprekstechniek. Minstens zo belangrijk is het dat je een synthese kunt maken van de verschillende vakken. Weer zien we hier de mikro- en de makrokosmos versmelten: om het geheel te begrijpen, moet je de delen kennen, om de delen te kunnen plaatsen, moet je het geheel kennen. Ik ondersteun Plato’s pleidooi voor een brede opleiding van harte. Het Duitse begrip Bildung roept associaties op met zwaar besnorde en bebrilde Duitse geleerden die de hele Ilias van Homerus uit hun hoofd konden opzeggen. Die tijd is voorbij, maar onze tijd kent het gevaar van te grote specialisatie. Je zou het ideaal van de Bildung kunnen vergelijken met een piramidemodel: een brede basis, die naar boven toe steeds spitser toeloopt. Vroege specialisatie zou je als het torenmodel kunnen aanduiden: de basis is hierbij nauwelijks breder dan de top. Hierbij denken we al gauw aan wat in de volksmond de nerd wordt genoemd: een wereldvreemde jongeman (nerds zijn om onnaspeurbare reden altijd jongens!) met piekhaar, puisten en een bril. Ik zag een keer in de krant een (uiteraard geënsceneerde) foto van vijf van zulke jongens, die met een flesje bier onder handbereik elk achter hun eigen computer zaten; het onderschrift luidde: “De studenten informatica tijdens de vrijdagmiddagborrel”. Omgekeerd is een classicus die informatica en techniek maar laag-bij-de-grondse zaken voor het plebs vindt, al even onwenselijk.

            Een laatste punt dat ik over Plato’s filosofen zou willen melden, is de onbekrompen studieduur die ze toebedeeld krijgen. Plato is sowieso scheutig met het aantal jaren dat zijn burgers in de schoolbanken laat zitten, maar de hoogste categorie, de heersers, is pas op de leeftijd van vijftig jaar geheel voor zijn taak toegerust. Geen langstudeerdersboetes, geen studieduurverkorting, geen rendementsdenken: neem er de tijd voor. Maar dan heb je ook wat: volmaakte heersers, en wie wil dat niet!

            Plato was een wijs man, maar wat mij betreft is zijn verre voorouder Solon de grootste wijze van de oudheid. Solon was rond 600 v.Chr. bereid nieuwe wetten te maken voor zijn vaderstad Athene, maar hij stelde daarbij één voorwaarde. Wanneer zijn wetten eenmaal aanvaard en ingevoerd waren, zou hij een buitenlandse reis van tien jaar gaan maken; tot zijn terugkomst mocht er geen letter aan zijn wetten veranderd worden. En hij heeft gelijk: je moet een project de tijd gunnen, al hoeft dat niet per se tien jaar te zijn. Hoe vaak gebeurt het niet dat een innovatieproject al na een paar weken of maanden wordt bijgesteld: dat betekent dat er tevoren niet goed over is nagedacht. Het kan nog erger: aan onze faculteit is het onlangs gebeurd dat een nieuwe indeling van de studies, waar duizenden mensuren in waren gaan zitten, al verouderd was voordat die van kracht zou gaan worden! Laat het proces pas beginnen als het helemaal doordacht is maar gun het dan ook de tijd en neem niet je toevlucht tot paniekvoetbal en ad hoc oplossingen.

            Ik heb een aantal elementen van Plato’s Staat de revue laten passeren, en daarbij aangegeven welke elementen ook nu nog van pas kunnen komen bij organisatie en innovatie. Misschien zegt u wel: “Leuk, maar ik heb weinig nieuws gehoord!” Dat kan kloppen: ik ben hier immers niet uitgenodigd om nieuwe dingen te presenteren, maar om het over de oudheid te hebben. Maar wat nieuw lijkt, blijkt bij nadere beschouwing vaak al heel oud te zijn. We zijn immers als dwergen die op de schouders van reuzen staan: we zijn kleiner, maar we kunnen verder kijken. Maar laten we af en toe eens even naar beneden kijken en ons realiseren hoe groot die reuzen wel niet zijn.

            Is Plato’s theorie nu de sleutel tot succes in de praktijk? Tja. Theo Thijssen schreef schitterend over het beroep van onderwijzer, maar men zegt dat hij zelf geen orde kon houden. We weten dat Plato zich intensief bemoeid heeft met de politiek van de stad Syracuse op Sicilië, waar een alleenheerser aan de macht was. Of hij nu werkelijk geprobeerd heeft in die stad zijn blauwdruk van de ideale staat in de praktijk te brengen, is omstreden. Wel weten we dat zijn activiteiten op een faliekante mislukking zijn uitgedraaid. Op een gegeven moment werd hij gevangen gezet en volgens sommige bronnen is hij zelfs als slaaf verkocht. De praktijk is nu eenmaal weerbarstiger dan de theorie. Mensen blijven nu eenmaal mensen. De gruwelijke voorbeelden van wat er kan gebeuren wanneer een papieren heilstaat in werkelijkheid moet worden gebracht zitten in ons collectieve geheugen: Hitler, Stalin, Mao, Pol Pot, Khomeini: ze wisten allemaal precies hoe het moest. En al houd ik me graag met Plato bezig, ik moet er niet aan denken in zijn Politeia te wonen. Plato lijkt dit zelf ook te beseffen. Aan het einde van de Politeia zegt hij dat zijn staat misschien wel nergens op aarde gerealiseerd kan worden; het is veeleer een voorbeeld in de hemel, voor degene die zichzelf wil beheersen. Want daar gaat het uiteindelijk om: de mens die zichzelf als een organisme beschouwt en zijn eigen leven in de hand neemt. Daarom is een van de hoogste deugden de zelfbeheersing, en dat moet je letterlijk nemen: de ideale mens beheerst zichzelf en hij heerst over zichzelf. Daarom doet hij het goede en is hij gelukkig.

            Terug naar onze werkelijkheid. Net als Plato ervaren ook wij vaak genoeg dat onze plannen niet brengen wat we ervan verwacht hadden. Gelukkig is er ook een filosofie die in zulke gevallen hulp kan bieden, namelijk de Stoa. Maar daarover kom ik graag een keer spreken als u een studiemiddag heeft over het thema “omgaan met teleurstellingen”.

Lees verder >>>