Second Society 2012-2014

Wanneer we onze ervaringen op een rijtje zetten, dan zien we dat de belangrijkste uitdaging waarvoor de publieke sector staat tweeledig is. Het gaat niet om de verbeeldingskracht om innovaties te bedenken maar het gaat vooral om die innovaties duurzaam, zonder dat dit overigens leidt tot verstarring en verkokering, te verankeren en te verbreden. Als dit de opdracht is die aan beleidsmakers en managers wordt gesteld, dan heeft dit ook gevolgen voor de wijze waarop we naar innovatie kijken en het theoretische kader dat we bij onze kennisontwikkeling hanteren.

Erkenning van het bijzondere karakter van technologische innovatie
Hoewel het denken erover op dit moment vooral wordt aangejaagd door de nieuwe mogelijkheden die worden geboden door bijvoorbeeld de opkomst van sociale media, is ICT-gedreven innovatie in de publieke sector op zich niet nieuw. We moeten niet vergeten dat het vakgebied van ICT nog relatief jong is (vergeleken met andere disciplines), maar toch is er de afgelopen jaren in onderzoek redelijk wat kennis en inzicht opgebouwd ten aanzien van dit soort innovaties.[1]

Het beeld dat naar voren komt is dat ICT-gedreven innovaties belangrijk zijn voor het openbaar bestuur, maar tevens ook dat het lastig is en dat ze in de praktijk moeilijk zijn te realiseren. ICT-gedreven innovaties zijn belangrijk om de kwaliteit van het functioneren van de publieke sector te verbeteren, maar ook om concrete doelstellingen als ‘meer met minder’ te realiseren. Bovendien kunnen innovaties bijdragen aan het versterken van de transparantie en daarmee wellicht ook de legitimiteit van de overheid. Tegelijkertijd tonen de vele mislukte of niet geheel gelukte ICT projecten binnen de overheid van de laatste jaren aan, dat het realiseren van deze potentiële voordelen niet eenvoudig is. Uit het eerder genoemde onderzoek blijken er verschillende verklaringen te zijn voor het feit dat ICT-gedreven innovaties in de praktijk zo lastig zijn voor veel overheidsorganisaties.

Een eerste verklaring is dat er in de praktijk vaak sprake is van een dominante eenzijdige benadering en beperkte toepassing van ICT. Veelal worden de inspanningen gericht op alleen uitvoerende en/of bedrijfsvoeringsvraagstukken. Met de opkomst van sociale media wordt er inmiddels volop geëxperimenteerd met ook de wat meer strategische processen in organisaties, maar van een echte verankering van ICT binnen strategievorming is vooralsnog geen sprake. Te vaak nog worden ICT-gedreven innovaties gezien als slechts een aanpassing van producten of diensten van de organisatie en is er te weinig oog voor het feit dat de werkelijke betekenis ervan voor organisaties veel indringender en omvattender is. In andere woorden: de institutionele betekenis van dit soort innovaties wordt vaak niet (voldoende) erkend.

Een tweede verklaring heeft te maken met het karakter van ICT zelf. Te vaak nog wordt ICT gezien als neutraal instrument dat je kunt inzetten voor het bereiken van je eigen, vooraf gedefinieerde, doel. In de praktijk blijkt echter telkens weer dat de ICT die je inzet, vaak ook weer onbedoelde (of zelfs perverse) effecten met zich meebrengt. Technologie lost veel problemen op, maar creëert tegelijkertijd ook weer nieuwe problemen. Zo bieden sociale media de kans om grotere groepen burgers te betrekken bij beleid, maar blijkt uit onderzoek dat deze groepen vrijwel nooit representatief zijn en dat de klaagcultuur door dit soort media wordt versterkt.

Een derde verklaring heeft te maken met de publieke sector zelf. Het openbaar bestuur vormt immers de context waarin innovaties gestalte moeten krijgen, maar juist deze context werkt vaak niet bevorderend. Waar innovaties bijvoorbeeld gebaat zijn met het nemen van enige risico’s en een cultuur waarin fouten mogen worden gemaakt, is de overheid juist (op overigens goede en legitieme gronden) ingericht op het tegenovergestelde. Het ‘glazen huis’ karakter van de publieke sector draagt hier aan bij. Opvallend in dit kader is ook dat in de publieke sector veel aandacht wordt besteed aan het ontwikkelen van innovaties, maar relatief weinig tot geen aandacht uitgaat naar het gebruik ervan door burgers en bedrijven. Dit terwijl juist het gebruik bepalend is voor de vraag of vooraf gedefinieerde baten ook daadwerkelijk worden gerealiseerd.

Verbinding van technologische innovatie met menselijk handelen
Uit hetzelfde onderzoek komt ook een belangrijk aangrijpingspunt naar voren dat kan helpen om de betekenis van strategische ICT innovaties in de publieke sector te duiden en te begrijpen en daardoor de praktijk van dit soort innovaties te verbeteren. Het gaat dan om het concept van de Publieke Innovatie Ecologie[2], gebaseerd op een informatie-ecologische benadering van eGovernment.[3] Kern van deze benadering is dat het bij ICT-gedreven innovaties niet in de eerste plaats gaat om de technologie, maar om de menselijke activiteiten die gediend worden met deze technologie. De relaties tussen instrumenten, mensen en hun activiteiten moeten worden benadrukt. ICT is dan slechts één van de elementen waar je naar moet kijken. Ook zaken als strategie, cultuur en structuur en de verdeling van macht spelen een belangrijke rol bij innovaties. Bovendien moet een sterke nadruk worden gelegd op het belang van de specifieke context waarin een innovatie zich voltrekt. De specifieke kenmerken van een organisaties in kwestie bepalen immers hoe ICT wordt ingezet. Bovendien gaat het daarbij om een co-evolutie, oftewel een stroom aan interacties tussen enerzijds ICT en anderzijds politieke, sociaalorganisatorische, culturele en economische omgevingen. Bijvoorbeeld de mogelijkheid om ICT te verbinden met het dominante informatie- en communicatiegedrag van mensen maar ook met dominante management en sturingsfilosofieën en opvattingen, zoals New Public Management of Open Government. Ook wordt het gedrag van de betrokken actoren beïnvloed door geschreven en vooral ook ongeschreven (historisch gegroeide) regels en praktijken in de organisatie in kwestie. Innovaties zijn daarmee dus altijd uniek en zijn te zien als de uitkomst van een complex en vooraf onvoorspelbaar proces van deze interacties.

Door meer oog te hebben voor aspecten als lokaliteit, specificiteit en het belang van de maatschappelijke en politieke context kan worden gezocht naar manieren om meer recht te doen aan de aard van de innovaties zelf en aan de specifieke context waarbinnen ICT-gedreven innovaties in de publieke sector plaatsvinden. Dit kan bijdragen aan het vergroten van de kans op succesvolle en effectieve innovaties en dus het realiseren van een daadwerkelijk transparantere, compactere en betere overheid. De gedachte dat innovaties vanuit een zogenaamd ecologisch perspectief dienen te worden bestudeerd zorgt ervoor dat er meer ook aandacht is voor de verankering, verbreding en verbinding van ICT-innovaties met de omgeving waarbinnen ze worden ontwikkeld, ingevoerd en toegepast.

Hanteren van meerdere perspectieven
Verankering en verbreding als relevant perspectief komt ook terug wanneer we een aantal ervaringen in ogenschouw nemen die belangrijk zijn in de adoptie en diffusie van innovaties.[4] Succesvolle adoptie, in termen van het vermogen om innovaties te laten landen in andere organisaties, wordt met name bepaald door het vermogen van relevante belanghebbende partijen om te laten zien wat de toegevoegde waarde van een bepaalde innovatie is. De toegevoegde waarde wordt in de publieke sector met name bepaald door de mate waarin drie betekenissen die een innovatie kan hebben elkaar versterken. Ten eerste is er de functionele betekenis van een innovatie die vooral let op de efficiency en effectiviteit van een innovatie. De functionele betekenis van een innovatie wordt met name bepaald door de mate waarin bijvoorbeeld organisaties die overwegen een innovatie te adopteren, de mogelijkheid hebben om deze innovatie te kneden en specifiek toe te snijden op hun eigen behoeften, wensen en omstandigheden. Hiervoor is belangrijk dat deze organisaties met de innovatie kunnen experimenteren, door middel van ‘trial and error’ uitproberen wat de mogelijke toegevoegde waarde van de innovatie is. Belangrijk daarbij is dat de innovatie zichtbare en concrete resultaten laat zien en duidelijk laat zien wat mogelijke kosten en baten zijn. Daarnaast is er de politieke betekenis van een innovatie. In hoeverre draagt de innovatie bij aan de aanpak van een maatschappelijk probleem dat ook in politieke zin opgelost moet worden. In hoeverre is er in politieke zin steun en draagvlak voor een innovatie? Dus een innovatie moet niet alleen effectief en efficiënt, maar ook geschikt zijn. Tenslotte is er de institutionele betekenis van een innovatie. Adoptie wordt vaak ook bepaald door het feit dat een innovatie een bepaald soort druk genereert waaraan organisaties zich moeten conformeren wil men als legitiem worden ervaart. De adoptie van een bepaalde innovatie wordt vaak beschouwd als het conformeren aan een bepaalde norm: immers iedereen doet het, of we hebben immers een naam hoog te houden als een vooruitstrevende organisatie. Daarnaast blijkt ook dat een actieve kennisdiffusiestrategie van vitaal belang is. Belangrijk is dat de kennis en ervaring die wordt opgedaan op de plek waar de innovatie heeft plaats gevonden, vastgelegd wordt zodat deze kennis ook gemakkelijker kan worden verspreid onder organisaties die overwegen de innovatie te omarmen. Maar dat betekent ook dat de mensen en middelen ter beschikking moeten worden gesteld om deze codificatie en diffusie te laten slagen. Kennismakelaars spelen hierin een belangrijke rol.

 



[1] Zie onder andere Thaens, 2006; Bekkers, Van Duivenboden en Thaens, 2006.

[2] Thaens, 2006

[3] Deze benadering is ontwikkeld door Bekkers en Homburg (2005).

[4] Korteland & Bekkers, 2007; Korteland, 2011.