De wereld van informatisering en openbaar bestuur kent veel geheimen. Een aantal daarvan is inmiddels ontrafeld. Dat komt onder meer omdat het belang van informatie en informatiebeleid zo duidelijk is geworden, dat het in de mainstream van de bestuurskunde en het besturen is beland. De betekenis van informatisering in het publieke domein is voortdurend onderwerp van onderzoek. Ook voor het Center for Public Innovation dat graag samen met zijn partners binnen de overheid, de adviessector en de wetenschappelijke wereld in beeld wil blijven brengen, hoe technologische innovatie en bestuurlijke vernieuwing op elkaar ingrijpen.
Het onderzoeksveld is zichtbaar de kinderschoenen ontgroeid. De interactie van technologische innovatie en bestuurlijke vernieuwing kan met meer theorie en meer empirisch materiaal worden bestudeerd dan ooit tevoren. Dat maakt het mogelijk om de aandacht te verleggen van het verklarende, ietwat beschouwende karakter van de afgelopen jaren, naar het centraal stellen van oplossingsrichtingen en nieuwe uitdagingen /strategische opgaven voor het openbaar bestuur. Vragen zijn: Welke mogelijkheden heeft de overheid om nieuwe technologie te gebruiken of op het gebruik ervan te reageren? En wat kunnen we zeggen over de effectiviteit, uitvoerbaarheid en wenselijkheid van die mogelijkheden?
Het Center for Public Innovation richt zich in zijn onderzoek nadrukkelijk op de toekomst. Wij zien het als een wetenschappelijke uitdaging om met ons gedachtegoed voor te lopen op de empirie. En als een maatschappelijke verplichting om een bijdrage te leveren aan het verbeteren van het openbaar bestuur door de wereld van wetenschap en praktijk met elkaar te verbinden. De gekozen werkwijze past bij deze opgave.
Maatschappelijke vernieuwing en technologische innovatie centraal
Veel van de uitgevoerde onderzoeken gaan ofwel over de wijze waarop nieuwe technologie het openbaar bestuur beïnvloedt, ofwel over de manieren waarop het openbaar bestuur gebruik kan maken van een specifieke nieuwe technologie. De ‘driver’ is in veel gevallen technologie. Minder vaak wordt vertrokken bij een maatschappelijke opgave waarbij de mogelijkheden van de technologie veel exploratiever worden bekeken.
Een belangrijke aanname in de CPI visie is dat de ontwikkeling van technologie deels stuurbaar is. In ieder geval wordt niet de leer van het technologisch determinisme aangehangen, die stelt dat de ontwikkeling van technologie autonoom verloopt. Onderzoek van het CPI laat echter wel zien dat een technologische ontwikkeling en het gebruik van die nieuwe technologie heel moeilijk stuurbaar is, in ieder geval vanuit het perspectief van actoren in het openbaar bestuur. Vaak lijkt in de praktijk gekozen te worden voor een aanpassingsstrategie. Denk aan de wijze waarop de politie omgaat met beeldvorming. Zo is de plaatsing van beelden op YouTube niet te stoppen, maar agenten kunnen wel bewuster worden van de vergaande transparantie van hun handelen. Het CPI blijft praktijkgerichte kennisontwikkeling naar de stuurbaarheid van de toepassing van technologie daarom belangrijk vinden.
De Nederlandse situatie als vertrekpunt
Tot nu toe richt vrijwel al het CPI onderzoek zich op het Nederlandse openbaar bestuur. De drijvende kracht – technologische vernieuwing – is echter grotendeels internationaal. Het is twijfelachtig of Nederlandse karakteristieken ook maken dat de vraagstukken die het CPI analyseert in de Nederlandse situatie tot andere antwoorden zouden leiden dan daarbuiten. Deels heeft deze lokale oriëntatie te maken met het toegepaste karakter van veel onderzoek. Het CPI vindt het echter van belang om een aantal van de karakteristieken te spiegelen aan mondiale ontwikkelingen. De programma’s van Obama in de VS, de voorstellen van Cameron in de UK en de Europese agenda zijn voorbeelden van deze mondiale ontwikkelingen.
De ambitie wordt daarom uitgesproken om in opdrachten expliciet buitenlandse ervaringen mee te nemen. Bijvoorbeeld: de invloed van Web 2.0 op de decentralisatie van taken. Nederland is niet het enige land dat worstelt met bijvoorbeeld een discussie over de toekomst van het huis van Thorbecke. Een vergelijkbare discussie wordt ook in België en in mindere mate in Duitsland gevoerd.
Normen aan de basis
Veel CPI onderzoek raakt aan vragen over wenselijkheid. Die zijn niet zonder normatief kader te beantwoorden. De vraag is welk normatief kader dan wordt gehanteerd? Is er – expliciet of terugkijkend – een CPI-visie te benoemen? Of doen we het enkel om partners en deelnemers aan het kennisontwikkelingsprogramma te verleiden tot nadenken? Zichtbaar is dat we in de afgelopen jaren regelmatig een normatief kader hebben gehanteerd bij het uitvoeren van opdrachten. Dit kader is echter vaak specifiek voor het onderzoeksobject en tijdsafhankelijk. Hiermee kan waarschijnlijk niet worden volstaan.
Bij gebruikers van sociale-netwerksites zijn bijvoorbeeld golven te zien in hoe men tegen privacy aankijkt. In het begin was er weinig bewustzijn van de gevolgen van het plaatsen van ‘party pics’ op Facebook. Later veranderde de houding bij velen naar een acceptatie van het feit dat het nu eenmaal niet te voorkomen is dat een deel van je privéleven op de digitale straat komt te liggen. Momenteel is er echter weer veel rumoer over privacy-instellingen – mogelijk omdat nu de consequenties van ongewilde datadeling duidelijker zijn geworden.
Het CPI vindt het van belang om in de komende jaren een normatief kader te ontwikkelen, en na te gaan of dit kader generiek toepasbaar is en minder afhankelijk kan zijn van de waan van de dag.
Het netwerk als voorwaarde
Het CPI vindt zijn basis in een groep wetenschappers, adviseurs en ambtenaren die zijn gefascineerd door de opkomst en mogelijke invloed van het Internet. Vanuit een hechte kern is in de afgelopen jaren het onderzoek verricht. Hierbij werd snel duidelijk dat interdisciplinair denken, diversiteit en creativiteit belangrijke competenties zijn om deze omvangrijke en veelzijdige ontwikkeling goed te kunnen bestuderen en praktische oplossingen te kunnen bieden voor vraagstukken verbonden aan deze ontwikkeling.
Tegelijkertijd is duidelijk geworden dat meer focus gewenst is om voldoende diepgang te bereiken en oplossingen, gebaseerd op verkregen resultaten, sneller en meer gericht op de vraag aan te kunnen bieden.
Het nieuwe kennisontwikkelingsprogramma vertrekt duidelijk vanuit een bestuurskundige basis en tegelijkertijd zijn de voorwaarden gecreëerd om meer verschillende disciplines bij de uitvoering van de onderzoeken te betrekken. Tegen deze achtergrond wordt daarom het netwerkkarakter van het CPI in de komende jaren verder versterkt.
Samen verder
Zoals geschetst heeft het CPI met het programma 'Second Society' de afgelopen jaren actief bijgedragen aan de kennisontwikkeling ten aanzien van de betekenis van het Internet voor het openbaar bestuur. Uit onze analyse blijkt dat de uitdaging voor de komende jaren het bieden van toepasbare oplossingen is. De vraagstukken voor de komende jaren zullen zich richten op:
- het leggen van verbindingen door het overwinnen van barrières;
- de verankering van resultaten door verhoging van de acceptatie;
- het zoeken naar verklaringen voor de betekenis van informatie.
Het CPI wil met het nieuwe kennisontwikkelingsprogramma voor de jaren 2011-2015 deze vraagstukken verder uitdiepen en hiervoor toepasbare oplossingen vinden. De basis hiervoor kan gevonden worden in de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken in de afgelopen jaren. Hiermee streeft het CPI ernaar bij te dragen aan institutionele en conceptuele innovatie, die ons inziens noodzakelijk is om volgende stappen te kunnen zetten. Het vinden van oplossingen vraagt om een aanpak waarin theorie en praktijk in samenhang worden bezien.
Om de benodigde samenhang tussen theorie en praktijk te kunnen waarborgen, worden verschillende overheidsorganisaties uitgenodigd deel te gaan nemen, waarbij gestreefd wordt naar een meerjarige relatie. We streven naar tien deelnemende organisaties. Bezien vanuit de praktijk en onze observaties uit ons huidige kennisontwikkelingsprogramma is een aantal mogelijke vragen voor verdere verdieping voorgesteld. De uiteindelijke keuze en nadere uitwerking van te beantwoorden vragen wordt bepaald op basis van de aangegeven belangstelling van de deelnemende organisaties en concrete vraagstukken die bij deze organisaties spelen.
Om de opgedane kennis te kunnen verankeren in de eigen (deelnemende) organisatie, zijn verschillende mogelijkheden denkbaar
- persoonlijk advies;
- aanvullend en bij voorkeur (internationaal) vergelijkend onderzoek om een goede vertaalslag te kunnen maken naar eigen specifieke omstandigheden;
- atelierbijeenkomsten om bepaalde problematiek verder te verkennen;
- kennisontwikkeling door middel van het ontvangen van CPI publicaties en deelname aan congressen;
- eigen kennisontwikkeling met ondersteuning vanuit het CPI.
Het is aan de deelnemende organisaties zelf om hierin een keuze te maken en zo de samenwerking een voor hen gewenste en passende vorm te geven en de verankering van de opgedane kennis in de eigen organisatie te waarborgen. Het CPI maakt bij zijn werkzaamheden vaak gebruik van de zogenaamde ‘ateliermethode’.